‘Ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp’

Aanstaande zondag lezen we verder uit het Marcus-evangelie: Marcus 9:14-29.

Een wanhopige vader brengt zijn gekwelde zoon bij de leerlingen van Jezus, maar zij zijn onmachtig hem te genezen. De man zich tot Jezus en snikt het uit: “Ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp”. 

In dit gedeelte stuiten we op de paradox van het geloof. Het is geen bezit, het moet steeds weer geschonken worden. Met de woorden van dr. Rens Kopmels: “We gaan niet zozeer naar de kerk, omdat we geloven, maar veeleer opdat we geloven mogen; om uit ons ongeloof opgericht te worden.” Welkom dus.

De onmacht van de discipelen (haaks op het woord van Jezus: alle dingen zijn mogelijk voor wie gelooft’) doet me denken aan onderstaand gedicht van J. Schulte Nordholt dat hij in 1958 schreef voor Willem Barnard (Guillaume van der Graft), die toen net in Overijssel (Hardenberg) predikant was geworden. 

DOMINEE ZIJN

Dominee zijn op een dorp

ergens in Overijssel,

de groet en goedhartige vloek

der boeren beantwoorden met

een gebaar als een zegening, zeggen:

het weer slaat om, er komt regen.

Langs eenzame landwegen rijden

waar wilgen en populieren

staan vroom te zijn onder de hemel,

en geboorte en sterven slechts licht zijn en schaduw

langs de blinde muur van het leven.

Waar niemand het van mij zal vragen,

goddank het van mij zal vragen

de hand als een vaandel te heffen,

zegenend, zegevierend,

en te zeggen: ik zeg u, sta op

Comments are closed.